Ik ben jarenlang in slaap gevallen met de keuvelende stemmen van Barend & Van Dorp als achtergrondmuziek. Mijn lief die TV keek terwijl ik indommelde. Na de geboorte van de derde spruit heb ik de nodige nachten met haar opgezeten – ik kan echt niet slapen met een kind met buikkrampjes in mijn armen. Buikkrampjes, dat is trouwens echt zo’n consultatiebureau-etiket voor huilen zonder direct aanwijsbare oorzaak als een vieze luier of een beknelde vinger. Slim gekozen, dat etiket, want ‘buikkrampjes’ klinkt zielig genoeg om het moment van wanhoop van ouders langer uit te stellen; kramp is pijn en pijn is zielig, logisch dat het kind huilt en wat ben je dan voor ontaarde moeder als je je na een uur wild irriteert. Tegelijkertijd heeft het de suggestie van voorbijgaande, onschadelijke pijn en voorkomt het dat ouders in een stressstuip schieten omdat er wellicht iets fundamenteels mis is met hun kind.
Hoe het consultatiebureau in godsnaam kan weten dat het buikkrampjes betreft, heb ik me al vaak afgevraagd. Het kan toch ook hoofdpijn, oorpijn of keelpijn zijn, stierlijke verveling (ga maar eens 18 uur per dag in een wieg liggen) of existentialistische vertwijfeling over het begin van dit leven? Het nadeel is dat je er nooit achter zal komen en dat de eventuele mythe van buikkramjes nooit ontkracht zal worden. Ik heb wel eens aan mijn nu 11-jarige gevraagd waarom hij steeds ’s nachts wakker werd toen hij vijf weken oud was. Maar hij moest het antwoord schuldig blijven.
Hoe dan ook, toen ik met mijn derde kind nachtenlang op zat vanwege veronderstelde buikkrampjes, vormde de tv op de slaapkamer een prettige afleiding. Zo heb ik een nacht lang de aftakeling van de Paus kunnen volgen op CNN. Om drie uur ’s nachts viel zijn nierfunctie uit, niet veel later zijn leverfunctie, in de vroege ochtend was hij hersendood, en toen de rest van het gezin inmiddels stommelend wakker werd kwam het breaking news dat de Paus helemaal en voor de echt was overleden. Maar goed ook, want na zo’n nacht had ik me toch een beetje bedrogen gevoeld als de man het nog drie dagen had weten te rekken.
Toen we naar het buitenland verhuisden, verdween de TV uit de slaapkamer, om de eenvoudige reden dat we voor ons tijdelijke verblijf aldaar slechts een televisie wilden aanschaffen, en die kwam in de huiskamer te staan. In die slaapkamer waren er andere geluiden om bij in slaap te vallen: het loeien van tropische stormen, dikke regendruppels die op het dak kletterden, rondscharrelende possumpootjes en het kabaal van kikkers en vogels, afgewisseld door een enkele politie sirene.
Dat slapen zonder televisie beviel mij zo goed dat ik nu de mening ben toegedaan dat TV’s en slaapkamers niet samengaan. In bed slaap je, fluisterpraat je met elkaar, vrij je of lees je een boek.
Tenzij je last hebt van buikkrampjes.
Gisteravond keken we voor het eerst een film in bed. Er was een tijd dat dat normaal was omdat een studentenkamer nu eenmaal niet zoveel ruimte biedt dat het onmogelijk is om geen TV te kijken vanuit je bed. Maar we hadden al zo lang geen film gekeken in bed, dat het leek of het nieuw was.
De film op zich was niet bijzonder. Een Zweedse whodunnit, nog langzamer dan Wallander en met meer seks. Omdat de film zo lang duurde hadden we het kijken (noodgedwongen) in twee avonden opgesplitst. De eerste avond ging het kijken nog prima. De tweede avond begon wat ongemakkelijk met allemaal haperingen in beeld, geluid en ondertitels, vreemd genoeg niet allemaal tegelijk, maar wel zo vervelend dat we allemaal belangrijke dingen leken te missen.
De film stond niet op de laptop; hij werd geladen over Wifi naar het access point beneden en dan via langzaam ethernet terug naar boven naar de PC die twee meter van het bed staat. Aan de andere kant van de boekenkast, dus onbruikbaar om in bed film te kijken. Om nu ter plekke van langzaam ethernet snel ethernet te gaan maken was teveel van het goede, dus kabeltje gespannen (was aan de korte kant) om de laptop direct op de PC aan te sluiten. Terugspoelen: we bleken een belangrijk gegeven te hebben gemist, dus de hele actie was niet voor niets.
De laptop stond op een keukentrapje aan het einde van het bed. De dekenkist erachter was al te ver weg. Op zich niets mis mee, maar het beeld was toch wat klein. Het stukje muur erachter is nog leeg, dus daar zou heel goed een niet al te grote TV kunnen hangen. Het toeval wil dat de TV in de woonkamer niet al te groot is (en daarvoor had ik al moeten praten als Brugman), dus die kan prima naar boven. Dan kunnen we beneden een grotere TV halen—die kosten toch vrijwel niets meer tegenwoordig—dat moet Brugman twee jaar later toch wel voor elkaar kunnen krijgen. Om boven in bed dan TV te kunnen kijken moet er ook nog een antenneaansluiting geregeld worden.
Dat is wel heel veel werk voor iets dat we nooit doen. Niet te vaak film kijken in bed.
Ik ging gisteren even windowshoppen voor een feestdagenjurk. Totaal overbodig ja, om voor drie dagen per jaar een peperdure jurk aan te schaffen, dus ik ging alleen kijken, passen en niet kopen. Maar weet je wat ik nou zo raar vind? Dat al die feestjurken heel bloot zijn. Met spaghettiebandjes en heel veel doorschijn. Feestelijk aan de hanger, maar hoe feestelijk is kippenvel? Wat is dan de bedoeling, dat je de thermostaat op 30 zet met Oudjaar? Of tegen het gourmetstel aan gaan zitten met kerst? Of zijn die jurken alleen bedoeld voor mensen die naar heftige feestjes gaan en tegen elkaar aangeplakt in een bloedhete disco staan te springen? Maar dan nog. Je moet je toch ook verplaatsen van huis naar die disco, en met min zeven zou ik niet graag in een jurk met spaghettibandjes onder mijn winterjas over straat gaan. Komt nog bij dat winterlijven doorgaans niet echt uithangborden van aantrekkelijkheid zijn, dus wil je zo’n jurk aan, moet je eerst twee weken naar de sportschool en onder de zonnebank. Ik snap die jurken gewoon niet. Tenzij je in Australie woont is het volstrekt onpraktisch om met Kerst geen kleren te dragen.
Mannen hebben het wat kleding betreft toch echt een stuk makkelijker.
Gisteren moest ik op de radio toehoren hoe een oud liedje dat ik al jarenlang prachtig vind, werd misbruikt in een reclame. Het muziekje heet You’re so cool en het is de soundtrack van True Romance, een van de eerste films uit een jaren negentig reeks die destijds als stroming New Violence werd genoemd, en waarvan Tarantino uiteindelijk de belangrijkste exponent bleek. Met Christian Slater en een piepjonge Patricia Arquette. Het muziekje, dat ontzettend lief klinkt en in al die liefheid een schril contrast vormt met het geweld in de film, werd gebruikt voor een Rabobank reclame. Oeioei. Het is een teken dat ik oud word, dat muziek die destijds als cult werd beschouwd nu door onwetende marketingjongetjes en meisjes gebruikt wordt om het grote publiek een goed gevoel te geven over een bank. Ik kreeg zomaar het gevoel dat me iets werd afgepakt.
Maar het bracht me wel op het idee om, als filmfreak zijnde, eens aan een opsomming te beginnen van de pak hem beet vijf leukste soundtracks. Dan heb ik het niet over prachtige maar enigszins geijkte werken als Pirates of the Carribean (die door sommigen beter herkend zal worden als de muziek van Expeditie Robinson), Star Wars, Indiana Jones en drakerige Titanic, maar over de minder bombastische, onopvallender meesterwerkjes. Enne, ik hoor graag wat er ontbreekt op de lijst.
Nummer 5
Dan maar meteen You’re so cool uit True Romance. Het muziekje is lief, de titel is lief, het stelletje is lief, en je geloof in True Romance wordt voor de duur van het liedje hersteld. Totdat de Rabobank eraan kwam, dan.
Nummer 4 I will survive van Gloria Gaynor, uit de film Priscilla, Queen of the Desert. Niet het nummer zelf maar de combinatie met de beelden is grappig. Drie travestieten uit Sydney gaan in een oude bus op weg naar het woestijnhart van Australie, en nemen al hun glitter en glamour mee de ruwe woestijn in. Met Lord of the Rings elf Hugo Weaving als travestiet.
Nummer 3
Geweldige versie van I can’t help falling in love with you, gezongen door Lick the Tins, uit een van de leukste Ierse films ooit, The Snapper. Over een jong meisje dat ongehuwd zwanger raakt en het hele dorp laat gissen naar de identiteit van de vader.
Nummer 2
The heart asks pleasure first, uit de film The Piano. Hier wordt groots en vooral meeslepend geleefd, zoveel is duidelijk als je naar deze muziek luistert. In-en inromantische film zonder hulp van Hollywoodglamour. Bracht mij als 18-jarige enigszins in verwarring toen ik merkte dat ik de hoofdrolspeler, de vijftigjarige, veel te zware Harvey Keitel, woest aantrekkelijk vond.
Nummer 1
Mrs Robinson van Simon and Garfunkel uit de film The Graduate. Ik heb de film al zeker twintig keer gezien en kan zo meedoen aan een deel van de dialogen, maar het blijft een briljante film. De zojuist afgestudeerde Benjamin Braddock (gespeeld door een geweldig onderkoelde maar o zo klungelige Dustin Hoffman) probeert zich te bezinnen op zijn toekomst en zich te onttrekken aan de druk van zijn ouders om carriere te maken en te trouwen. In zijn verveling begint hij een affaire met de veel oudere Mrs Robinson, de vrouw van zijn vaders zakenpartner. Maar dan komt hij erachter dat hij de dochter nog leuker vindt. Prachtige gelaagde film vol generatiebotsingen waar het liedje (en overigens ook dat andere liedje uit de soundtrack, The Sound of Silence) perfect bij past.
Ik kon nergens een combinatie vinden van het liedje met filmbeelden, vandaar alleen een filmfragment. Dialoogsamples uit dit fragment werden overigens later gebruikt in een clipje van George Michael.
Omdat Cumulus in het moeras (ook wel bekend als de hyperfocus van een techneut) is verzonken, neem ik het stokje even over. Want ik moet even wat kwijt.
Ik heb sinds een half jaar mijn rijbewijs, zoals ik al eerder heb vermeld. Jarenlang hoorde ik mensen klagen over asociaal gedrag op de weg. In mijn pre-rijbewijs leven dacht ik altijd: ZO erg kan dat toch niet zijn? Op straat doen de meeste mensen doorgaans toch ook vriendelijk en beleefd? Die zullen in de auto toch niet ineens in Tokkies transformeren?
Maar zo erg is het dus wel.
Hoe vaak ik niet word afgesneden. En ingehaald waar het niet mag. Kleeft er iemand aan mijn bumper. En vooral sjagrijnig natoeterd omdat ik blijkbaar niet snel genoeg ben (tja, ik kan mezelf wel voorhouden dat ze toeteren naar mijn blonde haren, maar zelfs ik snap dat dat een illusie is).
Toegegeven, ik rij wel een beetje als een oude krant, maar ook weer niet zo beroerd dat het al dat getoeter rechtvaardigt. Ik vind het naast een verontrustend, ook een fascinerend fenomeen. Waar komen al die boze mensen vandaan? Valt, door de relatieve bescherming en anonimiteit van de auto, het vernisje beschaving weg wat we normaal in contact met anderen wel hanteren? Vanuit die theorie kun je redeneren dat er weinig voor nodig is om ons terug te brengen naar het instinct dat er op driejarige leeftijd door je moeder uit wordt gepedagoogd, namelijk ikke, ikke, ikke en de rest kan stikke. Of is het asociale rijgedrag een gevolg van drukdrukdruk? Dat we liever het risico nemen een kind dood te rijden dan vijf minuten te laat op de vergadering zijn waar besproken wordt hoe de crisis gemanaged moet worden? Het kan ook een bijverschijnsel zijn van de traditionele Hollandse gewoonte om met te veel mensen op een te klein stukje land te wonen.
Wat de achterliggende sociologische oorzaak ook is, een ding valt me wel op (excuseer me als dit voor jullie, ervaren autorijders, een gigantische open deur is): het merendeel van de asociale weggebruikers is van het mannelijk geslacht. Meer specifiek de jonge uitvoering. Vooral als je een petje ziet weet je dat je op moet letten.
Ik stel me zo voor dat Kevin (21) uit Maarheeze dit op zijn blog schrijft: Zo irritant, die slome wijven van middelbare leeftijd op de weg. Van die oude moeders die alleen maar heel de dag bezig zijn hun kinderen van hot naar her te rijden en vinden dat de hele wereld rekening met hen moet houden. Ze zitten dan wel in van die hele grote, dure bakken, maar rijden kunnen ze niet. Moest verboden worden.
Nu Cumulus en ik voorlopig zijn uitgepraat over volwassen worden, heb ik opnieuw een compleet blank vel voor me liggen, waarop ik in relatieve anonimiteit kan schrijven wat ik wil. Vanaf een spiksplinternieuwe computer ook nog. Mogelijkheden te over, maar waar zal ik het eens over gaan hebben in deze zee van vrijheid?
Zal ik biechten over slechte gedachten? Te riskant, want ik ben immers niet volstrekt anoniem. Zal ik klagen over een onaantrekkelijk onderwerp als menstruatie? Verleidelijk, maar vast niet zo boeiend. Zal ik een gedurfd politiek standpunt innemen? Mwah. Trouwens, wat is nou nog politiek gedurfd vandaag de dag. Zal ik me opwinden over de teloorgang van de kwaliteitsprogramma’s op televisie? Nee, te schijnheilig, want ik kijk zelf het liefst naar belegen programma’s als Boer zoekt Vrouw, Wie is de Mol?, Spoorloos, Expeditie Robinson en Midsomer Murder. (Goh, dat opgroeien in het katholieke zuiden doet zich wel wreken met die voorkeur voor KRO programma’s.)
Ik ga jullie maar lastig vallen met een dilemma waar ik al weken mee worstel. Namelijk dit.
Ik ben een sloddervos, een chaoot, een verjaardagsvergeter en een wanbetaler. Men heeft daar geregeld last van, en men niet alleen, voor mezelf is het ook een kwelling nu en dan. Mijn onpraktische eigenschappen zijn genetisch volledig verklaarbaar, want mijn verwekker heeft dezelfde blauwdruk, wat al voor veel gezucht en gesteun in zijn omgeving heeft gezorgd, zoals dat mij ook vaak ten deel valt.
Nu blijkt mijn zoon erfgenaam van deze chaosgenen.
In vijf weken tijd is hij drie vesten kwijtgeraakt (waarvan hij er twee nooit meer heeft teruggevonden), twee voetballen verloren, drie keer vergeten overblijfbonnen te kopen voor school, twee keer per week zijn gymtas vergeten mee naar huis te nemen, 35 keer vergeten de dop op de tandpasta te draaien, heeft hij een keer zijn bril onherstelbaar kapotgemaakt en drie keer vergeten een boodschap door te geven nadat hij de telefoon had opgenomen.
Niet verwonderlijk dus dat hij met de regelmaat van de klok met rode wangen voor me staat, terwijl hij óeps, vergeten… mompelt. Tja, en wat dan te doen? Ik weet uit eigen ervaring dat het vergeten van allerlei zaken echt niet met kwade opzet gebeurt. Ik weet wel dat hij zijn net aangeschafte dure vest na het voetballen niet op het plein laat liggen om mij te stangen. Maar tegelijk maakt hij het zichzelf en zijn omgeving een stukje makkelijker als hij hier wat in zou veranderen. Ik ben er pas in geslaagd om enigszins gestructureerder te worden toen ik zelf kinderen kreeg en de chaos niet meer te overzien was. En ik zou graag willen dat mijn kind al wat eerder in zijn leven wordt bijgeschaafd. Maar hoe?
Moet ik boos op hem worden en hem straffen? Is het niet eigenlijk oneerlijk om boos op iemand te worden vanwege een karaktereigenschap? Het laatste wat ik wil is mijn zoon een minderwaardigheidscomplex bezorgen omdat hij last heeft van menselijke slechte eigenschappen. Moet ik er dan maar voor zorgen dat hij zoveel mogelijk last ervaart van zijn eigen slordigheid? Beetje gemeen om een kind dat elke nacht zijn astma puffer kwijtraakt, aan zijn lot over te laten. Bovendien zal het hem worst wezen dat ik zijn zakgeld inhou om een nieuw vest te bekostigen. Koopt ie de komende drie maanden toch gewoon geen computerspelletje. Vervelende consequenties accepteert hij zonder morren, maar de volgende keer loopt hij weer in dezelfde zeven sloten.
Moet ik hem dan voortdurend helpen alles te systematiseren? Ik zou wel willen, maar dat kan ik niet. Wat organiseren betreft heb ik genoeg aan mezelf, ik kan zijn agenda er niet bij hebben. Zijn vader is een stuk getalenteerder wat betreft agendabeheer, maar niet altijd aanwezig.
De hamvraag is eigenlijk: in hoeverre kun je van iemand verwachten, of prberen af te dwingen, dat iemand zijn genetische blauwdruk aanpast?
Van een collega leerde ik: “Er zijn twee soorten dingen: dingen die je plant en dingen waar je bang voor bent.” Aan de ene kant betekent dit bijvoorbeeld dat zelfs als je wilt dat iets niet gebeurt, dan nog kan je plannen wat je gaat doen als het toch gebeurt. Aan de andere kant geldt ook: als je wilt dat iets gebeurt, dan zal je plannen moeten maken om het te bewerkstelligen.
Voorbeeld: Als je van plan bent te promoveren, dan is het aannemen van een baantje dat als doel heeft dat je promoveert een aardig begin. Op een goed moment zal je aan je proefschrift moeten gaan schrijven en naar het einde toe komt er een heleboel regelwerk op je af. Op het moment dat je met de dienstdoende ambtenaar een mogelijke datum bespreekt voor de zitting begint de trein pas echt te rijden. Want een heleboel voorwaarden waaraan voldaan dient te worden hebben hun eigen deadline een aantal weken voor de zitting. De drukker, goedkeuringen her en der, de commissie: Ze komen met hun eigen planning, procedures en beslissingen. En omdat de zittingsdatum al bekend is staat al vast wanneer welke beslissingen genomen dienen te zijn en met welke uitkomst.
Het interessante is dat de mensen om je heen een duidelijk beeld hebben van je bedoelingen, ze begrijpen hun bijdrage, wat die voor jou betekent en wat het hen oplevert. Op basis van al die dingen zijn ze bereid mee te werken aan jouw plan.
Het helpt als de mensen om je heen begrijpen waar je naar toe wilt. Of op zijn minst genoeg denken te begrijpen om mee te willen werken. Promoveren is zo iets: de mensen die je promoveren hebben dat zelf al eerder gedaan. Ouder worden is net zo iets: je bent een kind van je eigen ouders en als de tijd rijp is word je ouder van je eigen kinderen. Dat plan je: je schaft anticonceptiemiddelen of -methoden af en hoopt dat de trein gaat rijden.
Het lijkt me dat volwassen worden net zo gaat. Je maakt een plan en voert dat uit. Maar hoe maak je een plan om volwassen te worden? Welke mijlpalen en deliverables heeft een project dat bestaat om je eigen volwassenheid te realiseren? Ben je al volwassen als je je gedraagt als een volwassene? Welke kenmerken heeft zo’n volwassene of dat gedrag dan wel? Moet je ze allemaal implementeren of volstaat een deel daarvan ook? 80% of kan 20% ook? Welke 20%? Welke wat?
Soms eindigen dromen die in vervulling gaan, in niets meer dan kapotgespatte illusies. Toen ik acht jaar was, en na heel lang zeuren eindelijk op balletles mocht, vond ik het na de eerste les al vreselijk tussen al die frele popjes in roze jurkjes, en smeekte ik mijn moeder om me over te plaatsen naar de toneelles in het lokaal ernaast. (Die ik overigens wel erg leuk vond.) Een verhuizing naar Japan, in het kader van een langbegeerde hereniging met een vriendje, ontaardde in een relationeel drama waarbij het vriendje zich ontpopte tot een bottebully die dreigde harakiri te plegen als ik hem verliet. En toen ik eindelijk oud genoeg werd bevonden om de schuine moppen te horen die mijn vader in grote gezelschappen regelmatig tapte, bleek ik ze allemaal al op straat en in het klaslokaal gehoord te hebben.
De grootste desillusie vond ik echter wel, dat volwassen worden niet vanzelf gaat. Als kind dacht ik dat als ik eenmaal een bepaalde leeftijd had bereikt, ik exact zou weten hoe het leven in elkaar stak. Dat je als bij toverslag snapt hoe je belastingpapieren invult, hoe hypotheken werken, hoe je omgaat met familieconflicten en ruzies uitpraat zonder slaan of huilen, daarnaast werk vindt wat exact bij je past en waar je elke ochtend fluitend naar toe gaat, dat je weet hoe lang aardappelen en rijst moeten koken zonder drassig of juist droog te worden, dat je koffie lust en olijven, en dingen gaat zeggen als ‘die wijn smaakt kruidig met een fris accent’ en dat je, als je mensen redelijk en rationeel behandelt, ook altijd redelijk en rationeel behandeld wordt door je mede-volwassenen (toen ik dat dacht, was ik overduidelijk nog nooit bij de Dwaze Dagen van de Bijenkorf geweest en had ik ook nog nooit iemand van UPC aan de telefoon gehad).
Die volwassen status heb ik nog niet bereikt en ik vraag me of of dat ooit nog gaat gebeuren. Ik fladder maar zo’n beetje door het leven, van het ene korte termijngeluk naar het andere, zonder het nut op de lange termijn voor ogen, als een soort spek-en-bonenvolwassene. Als ik op feestjes eens iets zeg over de hypotheekrente aftrek heb ik gelijk het gevoel dat ik de boel sta te beduvelen. Ik kan zo een pak koekjes achter elkaar opeten, breng altijd mijn biebboeken veel te laat terug, kon 35 jaar geen autorijden, en laat me gemakkelijk van mijn werk/administratie/huishouden halen met het motto ‘geen zin in, morgen misschien’. Ik heb me altijd enigszins beschaamd gevoeld over mijn onvolwassen aspecten. Dus knik ik serieus en meewarig als iemand zijn zorgen uitspreekt over de economie, gebruik ik ‘te druk’ als synoniem voor ‘te lui’ en heb ik mijn biebpas maar afgeschaft. Maar toen ik deze week een lieve tante aan de telefoon had, en ik vertelde dat het behalen van een rijbewijs mijn eerste stap was richting volwassenheid, was haar antwoord: ‘Volwassen worden? Dat moet je helemaal niet doen, want dat is heus niet leuk.’ Dus nu koester ik mijn kinderlijke ik een beetje meer, en dat vind ik dan weer heel volwassen van mezelf.
Toen ik klein was wilde ik straaljagerpiloot worden. Een eventuele carrière in het leger was niet vreemd. Mijn opa was officier bij de landmacht geworden nadat hij in de oorlog al zijn bezittingen was kwijtgeraakt, inclusief huis en onderneming. Een oom deed het nog steeds bijzonder goed in het leger. Ook toen ik als tiener een keer voor een schermwedstrijd op de KMA was meende ik nog dat ik daar over een paar jaar ook zou studeren.
Tegen de tijd dat ik een studiekeuze moest maken was het geen optie meer om straaljagerpiloot te willen worden. Bril en vullingen maakten dat ik niet meer door de selectie heen zou komen. In een troostprijs, als gewoon piloot of helikopterpiloot, was ik niet geïnteresseerd. Ook in een baan als piloot in de burgerluchtvaart was ik niet geïnteresseerd, niet in de laatste plaats vanwege de grote investering (hoe zou ik ooit mijn vader zo ver krijgen?), maar ook omdat computers lonkten. We schrijven 1985 en ik zat tot over mijn oren in de BBC Micro en dat smaakte naar veel meer.
In 1985 bestond de dienstplicht nog. Ik had één dag de wondere militaire wereld mogen proeven. Als gangmaker in een kantine vol schuchtere 18-jarigen verbaasde ik mezelf. De koffie zat met suiker en melk in de thermoskan en was vreselijk. Ik viel bijna flauw toen het bloedprikken resulteerde in een dikke bult op mijn arm. Desondanks werd ik goedgekeurd. Het was toen in om gewetensbezwaard te zijn of juridisch bezwaar te maken, maar dat vond ik niet passen. Ik kreeg uitstel in verband met mijn studie.
Na zes jaren als student begon het auditorschap in zicht te komen, een positie waarvoor het ministerie geen uitstel verleende. Ik schreef me in om ROAG te worden—Reserve Officier Academisch Gevormd. Na een korte basisopleiding mag je dan ergens een bureaubaantje vervullen dat aansluit op je studie. Hiervoor bestond een selectie die ik nestjes doorliep. Een van de aspecten was een gesprek met een officier. De goede man beoordeelde hoe het stond met je motivatie. Tegenover hem zat een jongeman met lang haar en een soort lange baard onderuit op een stoel, met spijkerbroek, T-shirt en kistjes. Ik kan me geen details van het gesprek herinneren maar ik vermoed dat ik ’s mans vooroordelen bevestigde met mijn antiautoritaire houding en motivatie uit het ongerijmde. Ik werd geen ROAG.
Een half jaar later was ik soldaat. Gelukkig was er toch enige vorm van selectie toegepast en was ik niet slechts kanonnenvoer. Onze pelotons bestonden voornamelijk uit HBO en WO opgeleiden die werden klaargestoomd tot gewondenverzorger/chauffeur. In de eerste twee maanden kregen we de basisopleiding en haalden we ons EHAF diploma (Eerste Hulp Aan het Front). Dit was op anderhalf uur met de trein, dus ’s avonds en ’s nachts kon ik prima thuis met mijn beste programmeervriendje achter de computer zitten, werken aan ons project waar we al twee jaar mee bezig waren. Bovendien was het leren plakken van mensen erg leuk. Ik vermaakte me prima.
De derde maand haalden we ons C-rijbewijs in een viertonner. Heel erg leuk. Het was op fietsafstand, dus het legde minder beslag op mijn tijd.
Toen de opleiding klaar was werden we operationeel. Niets is geestdodender dan operationeel zijn. Het was op meer dan 2.5 uur openbaarvervoertijd dus een dagelijkse commute zat er niet in. Ik koos ervoor om nog maar één keer per 48 uur te slapen, van het avondappel tot het ochtendappel wanneer ik overbleef op de kazerne. De andere nacht zat ik weer thuis achter mijn computer te werken.
Ik had een grondige hekel aan de leiding van ons peloton. Naast de dienstplichtige luitenant waren er twee beroepssergants die vreselijk dom waren en die ons allerlei vreselijk domme dingen lieten doen. Schoenen poetsen, wapens poetsen, auto’s poetsen, kamer poetsen. Het dagelijkse lichtpuntje waren een blikje Fanta en twee broodjes frikandel in het kroeglokaal. Aan de geur van de kantine, die op een goed moment een tijdje dicht moest omdat ‘ie ontdaan moest worden van de kakkerlakken, heb ik een grondige hekel aan kantines overgehouden, zo eentje die door de geur getriggerd wordt en waar niet aan te ontkomen is.
Op een goed moment was er sprake van dat er een uitzending zou plaatsvinden naar Cambodja. Ongeacht de gevaren stond ik vooraan in de rij om mee te mogen. Alles was beter dan niets doen.
Intussen ging het slechter met mij. Ik sliep te weinig, dronk te veel en rookte een pakje zware per dag. Ik had slechte gedachten tijdens de schietoefeningen. Op een goede morgen, na de kamerinspectie, toen de rest naar buiten liep voor het ochtendappel had ik er genoeg van. Ik ging bovenop een kast zitten en kwam er niet af.
De luitenant stuurde iedereen weg en praatte me van de kast af. Huilend voer ik tegen hem uit over hoe hier gezeikt werd over hoe men een handdoek op het voeteneind te drogen dient te leggen, terwijl in Joegoslavië oorlog woedde en mensen dood gingen. De nutteloosheid van het operationeel zijn had van me gewonnen.
Ik mocht die dag naar huis. Op wat bezoekjes aan de softe sector na ben ik niet meer terug geweest.
Mijn pad in de softe sector was min of meer voorbestemd. Op mijn vader na, die bankier is, zit mijn hele familie in de hulpverlening (en met een beetje goede wil kun je bankieren ook als hulpverlening beschouwen), of in vrije en artistieke beroepen. Ik heb ergens een verdwaalde nicht, die cum laude in wis- en natuurkunde is afgestudeerd, maar die genen komen vast van de koude kant. De rest griezelt van alles wat exact, technisch en/of commercieel is.
Op de lagere school al was ik hopeloos met sommen. En omdat ik op een Jenaplan-school zat en de leraar vond dat ik zelf wel kon bepalen wat goed voor me was, heb ik het onderdeel rekenen altijd volledig genegeerd, met als gevolg dat ik nu niet eens zonder veel hoofdpijn de tafel van acht op kan zeggen. Schande. Ik heb vast dyscalculie (dat is altijd fijner dan toegeven dat je misschien niet zo intelligent bent als je zelf wel denkt). Wiskunde en alle andere exacte vakken waren een martelgang omdat ik er niets van kon. (Alleen het toepassen van de stelling van Pythagoras lukte me wonderwel.) Over gruwelijke staartdelingen en vreselijke formules gebogen, troostte ik mezelf met de gedachten dat de wiskundeleraar vast niet zo mooi kon tekenen als ik en zich op papier alleen maar in feiten kon uitdrukken.
Ik ben een alfa-meisje pur sang: woord, beeld en ‘erover praten’ zijn mijn kopje thee. Ik deelde de wereld in in softies en de rest, en ging journalistiek studeren, een opleiding waarbij je overigens meer mensen tegenkomt die slecht zijn in rekenen en verder van alles een beetje kunnen zonder in een ding uit te blinken.
De softies tegen de rest: zo simpel is mijn wereldbeeld inmiddels gelukkig niet meer. Techneuten blijken leuk te kunnen schrijven, communicatiemensen zijn soms akelig niet-soft, en verhip, ik snapte gewoon het hele onderstaande stukje van Cumulus zonder dat ik me vertwijfeld op het hoofd hoefde te krabben. Ik ben nog steeds een alfameisje, maar wel met de wetenschap dat moderne technolgie de deuren tot prachtige kruisbestuivingen opent. Photoshop heeft mijn leven letterlijk veranderd. Hoe het dan allemaal exact werkt, hoef ik niet te weten: daarvoor heb ik Cumulus.
Dus, Cumulus, mocht je ‘er eens over willen praten’, dan ben ik geheel tot wederdienst bereid.
Onderstaand testje vond ik op de website van een Australische krant. Hoe je haar ziet dansen schijnt iets te zeggen over welke hersenhelft je het meest gebruikt: gaat ze met de klok mee, of tegen de klok in? Tegen de klok in betekent dat je left brain georienteerd bent, met de klok mee right brain georienteerd. Ik zag haar, geheel kloppend met bovenstaand stukje, eerst alsmaar met de klok mee, maar na even concentreren kon ik haar ook de andere kant in zien gaan (focus op de voeten als je wilt switchen).
Onder het filmpje ligt je etiketje klaar.
LEFT BRAIN FUNCTIONS
uses logic
detail oriented
facts rule
words and language
present and past
math and science
can comprehend
knowing
acknowledges
order/pattern perception
knows object name
reality based
forms strategies
practical
RIGHT BRAIN FUNCTIONS
uses feeling
“big picture” oriented
imagination rules
symbols and images
present and future
philosophy & religion
can “get it” (i.e. meaning)
believes
appreciates
spatial perception
knows object function
fantasy based
presents possibilities
impetuous
risk taking
Laatste reacties