Zij


Sommerblom, dertiger, linksige artistiekeling met een bikinifobie, wereldburger, worstelende moeder en wegpiraat.

Laatste reacties

  • nalie: Boek lezen in bed doe ik nooit. TV soms, maar als E de slaap
  • Lucienne: Boek lezen moet ik absoluut niet doen in bed, dan lig ik om
  • dorijke: Wij hebben het geprobeerd, tv kijken in bed, omdat ons dat i
  • cirrus: Hmm ik typ dit op zo'n niet nader te noemen iGeval. En wij k
  • Lucienne: En, toch nog bezweken voor een aankoop? Hier is alles strapl
  • LB: Twee maanden geleden ben ik naar Priscilla the musical in Lo
  • Sommerblom: Die nerd, dat is dus Dustin Hoffman op twintigjarige leeftij

10 overwegingen bij de aanschaf van een laptop

Een paar dagen geleden vroeg Sommerblom aan mij advies inzake de aanschaf van een nieuwe laptop. Over rolpatroonbevestigende vragen gesproken. Of een Intel® Pentium® Dual-Core Processor T4300 (2.1GHz, 800MHz, 1MB cache) iets was, qua processor, of dat ‘ie meer cache moest. Alsof ik zo’n vraag zou kunnen beantwoorden zonder enig onderzoek en zonder stukje. Daarom aldus 10 overwegingen bij de aanschaf van een nieuwe laptop.

Overweging 1 – vergeet de goedkoopste. De goedkoopste is zonder twijfel niet de beste en zal sneller aan vervanging toe zijn. Je geeft nu minder geld uit, maar zal sneller ontevreden zijn en dus sneller een nieuwe willen kopen en daarmee ben je uiteindelijk duurder uit. Deze regel heeft niets met computers te maken, maar is common sense.

Overweging 2 – een desktop is sneller. Voor een laptop zijn gewicht, draagbaarheid en batterijlevensduur belangrijke parameters die voor een desktop volledig irrelevant zijn. Een desktop mag best twee keer zo zwaar zijn als hij daarmee ook twee keer zo snel is. Niet dat het zo eenvoudig werkt: ‘Doet u mij maar een kilootje meer.’

Overweging 3 – alles is een afweging. Dat geldt niet alleen voor jezelf—welk bedrag heb ik hiervoor over en elke hoeveel jaar verwacht ik dat geld steeds uit te geven—maar ook voor de fabrikant. Welke technische keuzes heeft hij gemaakt en wat is het gevolg van die keuze voor jouw computer? Zo is de keuze om een ding te maken dat op batterijen loopt een belangrijke technische keuze met verstrekkende gevolgen.

Overweging 4 – slechts een paar dingen zijn echt belangrijk. Wat is een laptop eigenlijk? Een laptop in het bijzonder en een computer in het algemeen is een rekenmachine die op verschillende manieren met zijn omgeving kan communiceren. De meeste communicatiemethoden zijn voor de meeste laptops min of meer gelijk en de onderlinge verschillen zijn niet wezenlijk.  Zo hebben de meeste laptops ethernet, wifi, bluetooth, een toetsenbord en muis, etc. Verschillen in de mogelijkheden daarvan tussen diverse laptops zijn meestal miniem en van weinig invloed op de prijs. Ze doen het goed in lange opsommingen van kenmerken en mogelijkheden in reclames, maar ze zijn niet onderscheidend. Dat geldt niet voor de dingen die wél belangrijk zijn.

Overweging 5 – een snelle harddisk. De grootte van een harddisk is belangrijk, maar de snelheid is veel belangrijker. Harddiskruimte kan je namelijk bijkopen maar de snelheid van de harddisk kies je maar 1 keer. Elke laptop heeft een lampje dat aangeeft dat de disk aangesproken wordt. Als dat lampje aan is, dan staat je computer zo goed als stil. De harddiskkeuze is eenvoudig: langzame laptopharddisks draaien met 5400 omwentelingen per minuut en snelle met 7200. Dat scheelt 33% in de tijd die het kost om gegevens van disk te lezen voor een veel kleiner verschil in prijs.

Overweging 6 – veel geheugen. Er zijn maar twee bestaansredenen voor harddisks: ze onthouden ook gegevens als ze uit staan en ze zijn goedkoper dan geheugen. Harddiskruimte is meer dan 200 keer goedkoper dan geheugenruimte. In ruil daarvoor zijn ze be-re-traag: alles is tenslotte een afweging. Veel geheugen is een manier om ervoor te zorgen dat die harddisk minder aangesproken wordt en dat het ik-ben-langzaam lampje minder aangaat.

Overweging 7 – meer geheugen. Geheugen wordt heel snel goedkoper en veel geheugen is ook over een paar jaar een goede manier om je computer sneller te maken. Zorg er bij aanschaf voor dat je over een paar jaar de fysieke mogelijkheid hebt om de hoeveelheid geheugen te verdubbelen. Mijn eigen laptop is van de week nog van 2GB naar 4GB gegaan voor minder dan € 100 en dat slechts anderhalf jaar na de aanschaf.

Overweging 8 – veel meer geheugen. Omdat 2^32 maar ongeveer 4 miljard is (en vanwege nog wat andere ingewikkelde redenen), kunnen 32-bits XP en 32-bits Vista maar 3.5GB geheugen nuttig gebruiken. Dit was voor mij eind 2007 al reden om een 64-bits Vista aan te schaffen (voor mijn desktop). 64-bits besturingssystemen kunnen alle geheugen dat je in je laptop kan duwen nuttig gebruiken. En hoe meer geheugen, hoe minder het ik-ben-langzaam lampje brandt en hoe sneller je laptop is.

Overweging 9 – een echte videokaart. Ik heb al drie punten aan geheugen besteed, dus geheugen is echt belangrijk. Geheugen heb je ook in soorten en smaken, bijvoorbeeld 800MHz of 1066MHz, maar er zijn vele factoren in het spel die het onmogelijk maken een eenvoudige rekensom op het snelheidsverschil los te laten die als uitkomst heeft dat het op 1066MHz 33% sneller is dan op 800MHz. Er is echter nog een vertragende factor: gedeeld videogeheugen. Dit houdt in dat de videokaart gebruik maakt van het geheugen van de computer en dus beslag legt op een deel van het geheugen en de toegang daartoe. Daarom is het beter om een videokaart te kiezen die zijn eigen geheugen heeft, zodat activititeit in de videokaart de toegang tot het geheugen niet in de weg zit.

Overweging 10 – een snelle processor. Ik zou het bijna vergeten: mocht je echt veel rekenen (dat is wachten op je computer terwijl het ik-ben-langzaam lampje niet aan staat), dan is een snelle processor echt belangrijk. En dan gaat het over kloksnelheid, aantal cores (duo of quad), maar ook of de software die je veel gebruikt die duo of quad cores wel aan de praat kan houden. Anders zou je beter geld uitgeven aan minder cores op een hogere snelheid of met andere snelheidsverbeteringen. Maar de kans dat bij jou, argeloze lezer, de processor de bottleneck is, of een bottleneck is die het waard is om voor veel geld aan te pakken, is zeer klein.

Natuurlijk zijn er nog een heleboel andere afwegingen te maken, maar die zijn eenvoudiger. Zo snapt iedereen dat een Full HD TV leuk is, en dat je daarom enerzijds best wel 1920*1080 als beeldscherm wilt hebben maar dat je anderzijds ook met minder toekan. In ieder geval is het kleinst acceptabele scherm 1024*768, als ze zo klein nog verkopen anno 2009. En er zijn nóg eenvoudiger eigenschappen, zoals de beelddiagonaal van het beeldscherm: een van de weinig relevante eigenschappen van een computer die je met een meetlint kan controleren.

Toen ik vandaag wat rondklikte op grotere ketens van computerwinkels zag ik tot mijn verbazing dat entrymodellen laptops al 3 of 4GB geheugen hebben. Volgens overweging 1 hierboven moet je die negeren, maar wat blijkt: ook de duurdere modellen gaan niet voorbij de 4GB. Gelukkig hebben mijn favoriete merken (d*ll en *ppl*) wel de mogelijkheid om 8GB of meer te bestellen, maar daarvoor moet je dus wel rekening houden met je keuze van besturingssysteem (zie overweging 8). Die 8GB hoef je niet nu te kopen, maar over anderhalf jaar ben je er al echt aan toe.  En nog niet aan een nieuwe laptop.

PS Als je nu al veel geheugen wilt, koop dan het juiste model en haal het extra geheugen ergens anders: de meerprijs voor groter geheugen af-fabriek is meestal schunnig.

Mooi

Vrouwen worden steeds mooier.
Ik had al zo’n vermoeden. Ik vind de jonge meisjes van nu soms onwaarschijnlijk mooi. Vooral als ze het zelf nog niet doorhebben. Waar ik wel een beetje een nare bijsmaak van krijg, is dat bovenstaand onderzoek bevestigt dat schoonheid voor vrouwen een kwaliteit is die hen verder brengt in het leven. Daar voel ik weerstand tegen, maar misschien is dat een achterhaald idee dat thuishoort in een ander decennium. Misschien moet fysieke aantrekkelijkheid exact hetzelfde gezien worden als een hoge intelligentie, namelijk als een kadootje uit de genenpoel dat je kunt inzetten om meer te bereiken.
Zelf heb ik altijd een soort haat-liefde verhouding gehad met het schoonheidsideaal. Ik zou soms willen dat ik me er niet aan wilde conformeren. Dat ik gewoon lekker dik, wit, behaard en grijs mocht zijn van mezelf. Maar ik doe hard mijn best om het tegenovergestelde te bewerkstelligen.
Toen ik vijftien kilo zwaarder was dan ik nu ben, voelde ik me ongelukkig. Ik heb nog nooit zo hard gewerkt als in die periode, omdat ik vond dat ik mijn fysieke onaantrekkelijkheid – niet dat overgewicht per definitie onaantrekkelijk is, maar ik voelde dat wel zo – moest compenseren door op andere gebieden te excelleren. Mantra’s als: je bent toch gezond, wees trots op je lijf want het heeft gezonde kinderen gebaard en, dodelijk ja maar je hebt toch een leuke uitstraling? hielpen mij niet. Mijn eigenwaarde hield linea recta verband met hoe ik eruit zag.
Mijn verstand, dat verre van briljant is maar me wel zonder veel moeite door alle opleidingen heeft heen geloodst, heb ik altijd als vanzelfsprekend ervaren.
Tot voor kort. Mijn moeder kreeg op haar 55e de diagnose Alzheimer. We zijn nu een paar jaar verder en ze verdwijnt. Ze verdampt, alles wat haar ooit maakte tot wie ze was vervliegt met de tijd. Fysiek is ze overigens in topconditie.
Als een zwaard van Damocles hangt de mogelijke erfelijkheidsfactor van 25% me boven het hoofd.
Dat brengt me bij de vraag wat ’s mens kostbaarste bezit is: een goed lichaam, of een goed verstand? En maakt het, zoals het onderzoek in bovenstaande link ons probeert te vertellen, daarbij nog uit of je een man of een vrouw bent?

Mannendingen en vrouwendingen

In een relatie zijn er ik-doe-die dingen en jij-doet-die dingen. Zo ook afgelopen zaterdag, toen er naar de stort gegaan moest.  We hadden een paar weekends geleden besloten dat de zandbak moest verdwijnen. De jongens hadden hun koevoet ter hand genomen en de zandbak gesloopt, daarbij vakkundig bijgestaan door hun kleine broertje. Daarna hadden we 12 m2 klinkers verwijderd, die we gaan vervangen door gras. Dit weekend moesten de resten van de zandbak toch echt naar de stort. Voor mijn lief is naar de stort gaan een doe-ik-echt-nie-ding.

Ik ga niet graag naar de stort, maar het is erin geslopen dat ik dat moment aangrijp om met de oudste even gezellig in de auto te zitten, verplicht samen alleen in de immer langzame rij met immer voordringende mensen die niet snappen dat ook deze rij maar één achteraan heeft. Vandaag was er een goede aanleiding: de klinkers gingen ook verhuisd worden en op weinig innemende wijze had hij zijn snor gedrukt dus ik wilde het moment gebruiken om hem te vragen wat hij van team­inspanningen vond. Hij vond ze niet interessant.

Eenmaal terug bleek dat het verhuizen van de stenen traag verliep omdat we ze direct gingen leggen. Voor mijn lief is klinkers leggen een dat-is-mijn ding; ze heeft onze hele achtertuin bestraat. Maar ik was kinderlijk ontevreden met mijn bijrol en pas nadat ik genoeg gezeurd had mocht ik het doen en had ik haar middagje stratenmaken om zeep geholpen.

Ik borstel frequent de haren van mijn dochter, maar ze vlechten doet haar moeder. Zij bepaalt wanneer het beddengoed gewassen wordt en daarmee wanneer ik de bedden van schoon beddengoed mag voorzien. Zij verzorgt haar auto en ik de mijne. Zij kookt en ik vul de vaatwasser en ruim hem weer uit.  Zij zet de groenbak buiten want dat is achterom en ik ga voorom naar buiten als ik ’s ochtends de deur uit ga. Zij zet het oud papier buiten want dat moet weliswaar voor aan de stoep, maar het moet wel vanuit de achtertuin komen. Zij brengt de kinderen elke dag naar school, is daarmee meer betrokken bij de kinderen en is dus de aangewezen persoon om naar de ouderavond te gaan.

In een relatie met een geschiedenis van vele jaren doet ieder wat de relatie van hem verwacht. Dat kan de verwachting van de ander zijn maar ook het idee dat de een daarvan heeft. Zo leg ik mijn kleren nooit op de grote washoop omdat ik ze zelf naar boven wil brengen omdat ik denk dat ik daarmee mijn lief een plezier doe. Bleek van de week dat ze zich stoort aan de sokken waarvoor ik niet naar boven wil lopen omdat ik voor zo weinig geen slapende kinderen wil wakker maken. Blijkbaar is sokken naar boven brengen geen ik-doe-die ding.

Tegensputteren

Ik reed Cumulus voorbij zaterdagmiddag. Cumulus pik je er overal uit, want hij heeft een wapperende rode sjaal die opvalt in het grauwe herfstweer. Hij stond in de rij voor de stort, en te oordelen naar de lange rij en het geslacht van degenen die in de rij stonden, is naar de stort gaan een typische mannenactiviteit voor de zaterdagmiddag. Zoiets als, o cliche, je auto wassen. Mijn eigen man doet dat overigens niet, want die geeft niet om zijn auto (daar wordt hij in mijn ogen alleen maar leuker door trouwens), en ik ook niet, met als gevolg dat onze auto standaard gesierd wordt door een dikke laag aangekoekt vuil bestaande uit Saharazand, vakantieoverblijfselen (van toen we dat onmogelijke grindweggetje toch zijn afgereden om die bergtop te bereiken) en kak van duiven.
Nou was ik toevallig vorige week zelf bij de stort geweest met overtollig afval. En ondanks mijn feministische opvoeding dacht ik toch: Gatver. Waarom moet IK dit doen? Toegegeven, het was niet erg slim van me om tijdens een bezoek aan de stort een jurkje en hooggehakte laarzen aan te trekken, maar ik vond het toch wel een ongelooflijk geleur met zware vuilniszakken en bouwafval. Ik kwam, en dat durf ik maar schoorvoetend toe te geven, tot de conclusie dat het eigenlijk best wel mannenwerk was, naar de stort gaan. (Niet in de laatste plaats omdat ik met ingehouden gegniffel werd bekeken door de heren ter plaatse.)
En bij nader inzien heb ik best heb ik best veel van dit soort voorgeprogrammeerde ideeen over wat mannenwerk en wat vrouwenwerk is. Ik wil ze niet hebben, maar blijkbaar zijn ze hardnekkig en tamelijk moeilijk uit het systeem te bannen. Mannen zetten het vuilnis buiten, en de fietsen binnen. Ze plakken banden, ze fileparkeren en ze brengen de auto naar de garage. Vrouwen maken de verjaardastraktaties voor de kinderen, kammen de haren van hun dochters, verschonen de bedden en weten wanneer het ouderavond is.
Mijn lief negeert – geheel begrijpelijk – geregeld mijn voorprogrammeringen. Hij komt vaak binnen met de mededeling dat mijn fiets nog buiten staat, en toen ik vorige week tegen een geparkeerde auto aanreed vond hij dat ik dat allemaal prima zelf op kon lossen. En ik kan al die dingen ook best, dat weet ik heus, want ik heb in mijn leven al een hoop lampen opgehangen en fietsen binnengezet, en de garage bleek bij nader inzien geen bolwerk van vieze mannen met nog viezere kalenders aan de muur, maar toch moet ik steeds weer dat inwendig tegensputterende meisje sussen.
Erg, ja.
Hebben mannen ook inwendig sputterende jongetjes als ze de haren van hun dochter moeten vlechten?

Wespennest

Ik maakte vandaag de vergissing in de Bijenkorf terecht te komen. Totale chaos wachtte mij toen ik door de schuifdeuren stapte. Mijn nieuwsgierigheid (en goed dan, ook koopjeslust) won het van mijn afkeer en ik besloot me te wagen in het, eh, wespennest van de Drie Dwaze Dagen.
Ze hebben heus best leuke dingen bij de Bijenkorf. (Hoewel ik niet snap waarom iemand in godsnaam honderden euro’s uitgeeft op een make-upafdeling die ruikt naar een mengelmoes van bordeel en ziekenhuis.) Maar er liepen zo immens veel oude mensen rond. Toen ik met de roltrap naar de eerste verdieping ging, en over de begane grond uitkeek, zag ik een zee van grijzende hoofden. Het stond er vol met van die lichtelijk treurig ogende gepensioneerde mannen, gekleed in mosgroene ribbroeken en net iets te fel gekleurde windjacks (ongetwijfeld gekocht bij de Bijenkorf). Die mannen stonden collectief gelaten te wachten, terwijl hun vrouwen van alles onder hun neus duwden waarover ze geacht werden een mening te hebben. Toch raar dat die vrouwen het na veertig jaar huwelijk nog steeds niet snappen. Dat ze nog steeds denken dat hun mannen het net zo interessant vinden als zij om een bijpassende panty bij die donkerblauwe rok te vinden. Je zou die mannen willen aanmoedigen om te rebelleren, om heel hard door de winkel te schreeuwen: ‘Ik wil hier NIET zijn! Doe dit voortaan ALLEEN!’. Je zou ze gunnen dat ze het felgekleurde windjack uitrukken en naar het dichtsbijzijnde cafe stormen om daar, met een pilsje en een krantje, te wachten tot de vrouw klaar is met het binnenhalen van de jachttrofee.
Maar misschien zijn het vooroordelen. Misschien vinden die mannen de Drie Dwaze Dagen een geweldige besteding van hun post-werkend bestaan.
En over de bevestiging van vooroordelen gesproken.
Ik stond in de rij voor de paskamer, nog altijd in de Bijenkorf, een ontmoedigend lange rij, en achter mij stonden twee meisjes. Te bruin, te veel make-up, te geverfde haren, te strakke spijkerbroek, te veel kauwgom in de mond en te veel bling aan het lijf. Na drie minuten begonnen ze al te zaniken over dat het zo lang duurde. Na vier minuten hadden ze het voorzien op een meisje dat een spijkerbroek aan het passen was, en uitgebreid de tijd nam om zichzelf in de spiegel te bekijken. ‘Ja kutwijf, hij past, opschieten maar.’ Na vijf minuten zuchtte een van de twee nogal theatraal: ‘Ik ga dadelijk iemand zijn nek omdraaien.’
Charmant, dat Bijenkorfpubliek.

Vooroordelen

Ik had net een presentatie gegeven. Zo eentje om de klant het gevoel te geven dat hij het kan vertrouwen. Wat me altijd lukt. Op de weg terug stond ik op een kruispunt. Zonder zichtbare vooruitgang. Het stoplicht was al een paar keer op groen gesprongen en weer op rood. Op zich had ik een goede uitgangspositie: op een kruising hoef je niet per se rechtdoor. Dus dan maar de wijk in; alles is beter dan een stilstaande file op een hoofdweg de stad in.

Ik zocht een andere dan rechtstreekse route want ik wilde nog pinnen en tabakswaren kopen. Nog dicht bij de kruising had ik geluk: een pinautomaat. Aan een tabakswinkel. Met veel vrije parkeerplaatsen. En ze verkochten loten van de ik-doe-niet-mee-behalve-als-de-jackpot-maximaal-is-loterij. Auto parkeren. Laptoptas mee. Je weet maar nooit en zeker niet in deze buurt.

Bij de pinautomaat vormde ik een rij met de persoon die voor mij was. Een jongeman die weinig om zijn uiterlijk gaf. Trainingsbroek, sloffen onder de verfspatters, shirt, geblondeerd stekeltjeshaar met hanenkam, shaggie. Hij paste wel in de buurt; op zijn minst bevestigde hij mijn vooroordeel. Op zich was de straat wel mooi na de recente renovatie en ook de meeste huizen zagen er netjes uit, al was duidelijk welke blokken nog niet aan de beurt waren gekomen. Aan de overkant stond zelfs een Mercedes cabrio met dak open. Ook bestedingsdoelen zijn een keuze.

Dat de mevrouw klaar was met haar transacties hoorden we aan het zware rochelende ademen waarmee ze in beweging kwam. Zo te zien had ze haar zakgeld opgepind, zoveel briefjes van 50 stopte ze weg. Ze haalde de sleutel uit haar scootmobiel—die blijkbaar niet gestolen kan worden als je er naast staat te pinnen—en ging de winkel binnen. Nog voor ik klaar was met kijken was de jongen voor mij al klaar met pinnen. Op het scherm was de melding omtrent onvoldoende saldo nog zichtbaar. Gelukkig zag hij ervan af om nog meer vooroordelen te bevestigen en ging hij naar huis in plaats van de oude mevrouw haar briefjes te ontnemen.

De winkel bleek alles te verkopen wat je van een tabakswinkel annex sigarenwinkel annex slijterij annex buurtwinkel mag verwachten. Hij werd gerund door een echtpaar. De man was met een klant bezig over sigaren. Zijn echtgenote hielp de oude vrouw aan een pak tabak ter grootte van een pondspak koffie dat op een stuiver na vijftien euro moest kosten. Met dat ze het wisselgeld teruggeeft zie ik de teleurgestelde blik waarmee ze de vrouw aankijkt. Er komt geen reactie terug, wat weer mijn vooroordelen bevestigt.

Ik vraag om een staatslot, zonder specifiek eindcijfer, wat haar verbaast. Ik reken af. Ik dank haar hartelijk. Met dat ik het wisselgeld in ontvangst neem kijk ik haar aan. Er komt geen reactie terug.

Wolf

Ik droom veel en vaak. Dat had ik als klein kind al: ik herinner me nu nog exact de met de regelmaat van de klok terugkerende dromen over een vraatzuchtige wolf. Telkens als hij me bijna had ingehaald en op het punt stond zijn tanden in me te zetten, lukte het me om mijn ogen open te trekken. En heel hard om mijn moeder te roepen, die inmiddels de nachtmerrie-wolf ook wel zijn hersens wilde inslaan vanwege haar gebrek aan nachtrust. Tot ik in mijn droom plotseling bedacht dat het anders moest: ik draaide me tijdens een woeste achtervolging om en vroeg aan de wolf ‘vriendjes worden?’ Dat wilde hij wel, en daarna heeft hij nooit meer in mijn dromen gefigureerd. En aardig zijn is nog steeds mijn beste zelfverdediging.
Vanwege mijn vele gedroom – of gewoon omdat ze geen zin had om elke ochtend uitgebreid te horen wat ik had gedroomd – gaf mijn moeder mij een droomduidingsboek. Daarin werd beweerd dat een aantal veelverkomende droomonderwerpen symbolen zijn van ons collectieve onderbewustzijn (ik geloof dat deze theorie zijn grondslag had in de bedenksels van Freud). Zo zei het boek dat de staat van water iets zegt over de staat van ons leven: woelige baren, woelige tijden, een kalm zomermeertje, vul maar in. Kunnen vliegen in je droom betekent dat je je huidige beslommeringen wil ontstijgen, loszittende droomtanden suggereren een angst voor ouder worden, publiekelijk naakt zijn geeft een ongewenste kwetsbaarheid weer, en droomautorijden is symbool voor de mate van controle die je over je leven hebt (behalve als je, zoals ik, net je rijbewijs hebt gehaald en droomt over alle dingen die je fout kan doen, zoals linksom de rotonde oprijden, dat wil vast niet zeggen dat ik enorm dwars ben). Dromen over dood symboliseert de afsluiting van een periode of gevoel. Kortom, zo vond het boek, een mens doet er verstandig aan zijn dromen niet te negeren en ze te beschouwen als boodschappers van de intuitie.
En daar wordt het eng, in mijn geval althans. Want hoewel ik de wolf sinds mijn kleutertijd tot mijn vriendenkring mag rekenen, zijn de nachtmerries nooit opgehouden. Minstens eens per week schrik ik wakker uit een droom vol bloed, moord, doodslag, achtervolgende griezels (waarbij ik wegren alsof het door de stroop is), of beste droomvrienden die ineens bloeddorstig worden.
Hm.
Ik dacht toch eigenlijk dat ik best een leuk leven had. Maar daar zou Freud het vast niet mee eens zijn geweest.
Laat ik het dan maar houden op wat ouders tegen hun kinderen zeggen na een nachtmerrie: niet zoveel enge films kijken.

Het Diner

Ik zit nog een beetje in het ritme van de vakantie: het ritme van op een normaal tijdstip naar bed en dan een gat in de dag slapen vertaalt zich eenmaal thuis in op een normale tijd opstaan en redelijk vroeg naar bed gaan. Op deze manier slaap je lang en lang slapen brengt dromen met zich mee.

Gisteren had ik een vreemde droom. Mogelijk was Het Diner van Herman Koch (zie bijvoorbeeld dit artikel in VN) de aanleiding. In dat boek draait het om de vraag hoe ver de verantwoordelijkheid van de ouders reikt als het gaat om het gedrag van hun (nog niet volwassen) kinderen. In Italië hadden we het er nog over gehad. Vrienden met deskundigheid wezen op de enorme agressiviteit die spreekt uit het gedrag van Paul en Claire. Het was mij niet opgevallen, voornamelijk omdat ik mij niet uitdruk in dat soort termen als ik mijn gedachten moet verwoorden op het vlak van gedrag. Bovendien doe ik dat zelden, wat een en ander verklaart.

De eenvoudige vraag die Het Diner stelt is of je iemand moet aangeven waarvan je weet dat die een misdaad begaan heeft. Een willekeurig iemand in het algemeen, of je eigen kind in het bijzonder. En dan niet zomaar een misdaad maar eentje waarvan de gevolgen van berechting de verdere loop van zijn leven zullen bepalen. Ik vermoed dat bepaalde uitgangspunten voldoende grond kunnen bieden om je kind aan te geven, net zoals de zonen van Bernard Madoff hun vader aangaven. Aan de andere kant heb je als ouder de plicht om je kind te beschermen, tegen elk onheil van buiten. Deze plicht en de drang die te vervullen heb je van de natuur gekregen en het vergt wat om die weg te rationaliseren.

De droom duurde niet lang, althans, ik kan me maar één scene herinneren. Het stadium van aangeven was al gepasseerd: Ik had als ouder de opdracht om de straf van mijn zoon uit te voeren. Er zat geen kwade dwang achter, waarbij uit puur sadisme het ene slachtoffer een schijnbare keuze krijgt om door zelf een ander te straffen, zijn eigen straf te ontlopen of te lenigen. Het voelde alsof ook mijn eigen normen en waarden de gebeurtenis rechtvaardigden.

Het uitvoeren van de doodstraf is geen lichte taak. We stonden tegenover elkaar op een onbeduidende plaats met mensen om ons heen. We kijken elkaar aan. We lopen naar elkaar toe. Vlak voor ik wakker word zegt hij “mag ik een knuffel,” zoals alleen hij dat kan.

Alfa en beta

Ik woon tussen de techneuten. Deze regio heeft een behoorlijk hoog gehalte aan beta-mensen, vanwege een grote concentratie van allerlei bedrijven die krachttermen als innovatie, research en technology in hun vaandels hebben staan. En dat verklaart meteen, volgens sommige onderzoeken, waarom ook het aantal gevallen van autisme in deze regio buitenproportioneel is.
Tot nu toe heb ik me altijd redelijk verre van techneuten gehouden. Niet expres, maar op de paden waar ik me beweeg huppelen nou eenmaal vooral andere alfa-meisjes. De techneutenwereld ziet er vanuit mijn perspectief uit als een abstract en apart universum, gevuld met een soort hypergefocusede Oempa Loempa’s die in extase raken van natuurkundige en wiskundige wetten waar ik geen donder van begrijp. Ook als ze proberen uit te leggen waar ze nou eigenlijk mee bezig zijn, klinkt het alsof ze van een andere planeet komen. Het is natuurlijk reuze handig en prijzenswaardig dat techneuten ons iPods, online belastingaangifte en zelfdenkende auto’s (onze vorige auto vond dat een zak boodschappen op de passagiersstoel zijn gordel om moest doen, en liet dat weten door hinderlijk gepiep) hebben gebracht, maar het zijn niet de mensen met wie je een avond gezellig in het cafe gaat zitten. Leek mij.
Vrijdag mocht ik door een speling van omstandigheden (met als belangrijkste oorzaak mijn grote behoefte aan een avondje uit na een week elke avond uitgeput bankhangen) een avond in de kroeg doorbrengen met maarliefst drie techneuten.
Ik kan alvast een paar vooroordelen bevestigen.
Ja, ze pakken allemaal hun iPhone om wat op het schermje te frutten als er even geen sociale interactie van ze verwacht wordt (en soms ook als dat wel het geval is).
Ze refereren aan auto’s als ‘een 960′ en denken dan dat je dat snapt (en dan weet ik zeker dat ze wegens mijn gezelschap alleen nog maar Jip en Janneke-techneutentaal hebben gebezigd).
Ze snappen alle afleveringen van Star Trek.
En nee, als je op zoek bent naar galante mannen zijn techneuten ook niet de meest voor de hand liggende bevolkingsgroep.
Maar tegelijkertijd waren ze ook schattig, al weet ik niet of ze dat zelf een leuke classificatie vinden. En grappig. En ze gaven eerlijk antwoord op al mijn niet-techneuterige vragen over relaties en vakanties en het leven in het algemeen. Ik voelde me net dat jongetje uit E.T.: M & M’s strooien en hopen daarmee het buitenaardse wezen uit zijn hol te lokken. En ik voelde me ook enigszins een woest ongeleid projectiel in het techneutengezelschap. Zij hebben nette banen, nette kleren, nette huizen, nette gezinnen en een tomeloze toewijding aan alles waar ze voor gekozen hebben. Mij ontbreekt het aan sommige van het bovenstaande. Dat leverde me hier en daar een frons, een spottende glimlach of een stichtelijke preek op. Maar ondanks mijn contrastrijke inbreng hebben ze hebben me zonder morren een hele avond in hun midden geduld.
Close encounters of the third kind: contact established.

Italiaans schoon

Net als Cumulus ben ik toevallig ook naar Italie geweest. Toevallig, ja, ik ben geen enge stalker ofzo (althans niet van Cumulus), en trouwens, Italie is het twee-na-favoriete vakantieland voor Nederlanders, dus ZO toevallig is het ook weer niet.
Het was mooi en warm met veel lekker eten en koud zwembadwater. Ik was nog nooit in Italie geweest (op een tussenlanding in Rome en een dagje Trieste na, maar dat telt niet), en stiekem blijf ik dan toch dat streberige kind dat blij is dat er weer een land kan worden toegevoegd aan de lijst van bezochte oorden. Ik ben zo’n uncool iemand die regelmatig gaat tellen in hoeveel landen ze nou eigenlijk geweest is (nooit hardop natuurlijk, op rollende ogen zit ik niet te wachten). En in hoeveel hoofdsteden. En op hoeveel vliegvelden. En vroeger hield ik met vriendinnen ook bij hoeveel exotische jongens we gekust hadden, maar dat lijstje heeft in de afgelopen veertien jaar geen uitbreiding meer gehad, wegens het vinden van het leukste exemplaar onder de mannen.
Enfin, wat me aan Italie en vooral aan de Italianen opviel, is dat het zo’n mooie mensen zijn. Als meisje van vijftien kon ik enorm smachten bij een voetbalplaatje van Paolo Maldini. Dat was de allermooiste man die ik me kon voorstellen. Woest aantrekkelijk met zijn donkere haar en blauwe ogen (en waarschijnlijk kwam er, zoals dat bij meer voetballers het geval is, geen zinnig woord uit, maar dat terzijde), en als ik er dan ook nog muziek van Eros Ramazotti bij op zette, was mijn Italiaanse droom compleet.
Deze vakantie kwam ik erachter dat alle jongens in Italie eruit zien als Paolo Maldini. Tot ze een jaar of 30 zijn, daarna zakt de boel een beetje in en lijken de bonkige spieren plaats te maken voor zachte buiken, en de weelderige haardossen voor kalende hoofden. Zongebruind, dat blijven ze wel. En goedgekleed ook. Niet alleen de mannen, vooral ook de vrouwen. Die mooi passende jurkjes. Die keurige kapseltjes, die verfijnde sieraden. Die hooggehakte sandaaltjes. En daar dan mee op van die onmogelijke, Middeleeuwse klinkers laveren. Respect.
Daarnaast voel je je als Nederlandse met een afgeknipte spijkerbroek en teenslippers van de Hema niet bepaald het toppunt van elegantie. Het gekke is dat mijn zelfbeeld varieert door de omgeving waarin ik verkeer. Ik heb in Schotland gewoond, en tussen de overwegend lijkbleke en Gothic geklede meisjes met lange rokken en kistjes aan hun voeten voelde ik me best een begeerlijke partij. Ik heb ook in Japan gewoond, en daar voelde ik me vooral erg groot. Alles was er te klein voor mij; het bed, het bad, de kleren, de schoenen, zelfs de tampons waren er alleen in maatje mini. Dan heb ik recent ook nog in LA gewoond, en daar voelde ik me vooral puur natuur. Dat druk ik iets te positief uit: ik voelde me er vooral een soort oervrouw. Met te veel haar (ik heb me nooit aan een Brazilian wax gewaagd), of te weinig haar (je wilt niet weten wat dat kost, hair extensions), te veel hangend vlees (dito voor plastische chirurgie) en te veel rimpels (wegens botoxloos ouder worden). Op vakantie in India voelde ik me een bezienswaardigheid, in Zuid-Afrika voelde ik me soms ongemakkelijk wit, en in Zweden voelde ik me vooral erg onsportief.
Nu ik er zo over nadenk, lijkt Schotland me toch een erg geschikte vakantiebestemming voor volgend jaar.
En onder het mom van ‘functioneel voor het verhaal’ heb ik toch even achteloos kunnen deponeren welke landen ik allemaal bezocht heb.